Geschiedenis

Voorlopers

Er zijn twee groepen ‘voorlopers’ van iconen te onderscheiden: de konings- en de Fayumportretten.

  • De Koningsportretten: Byzantijnse keizers hadden de gewoonte om hun portretten te versturen naar verschillende delen van het rijk. Wanneer recht werd gesproken stonden deze portretten voor het publiek zichtbaar opgesteld. Op deze wijze was de keizer niet in werkelijkheid, maar wel symbolisch aanwezig.

    Geschiedenis iconen
    Portret van keizer Constantijn de Grote (oprichter van het Byzantijnse Rijk)
  • Fayumportretten (mummieportretten): Deze zijn genoemd naar de Fayum-oase in Egypte. In de tweede tot de vierde eeuw na Christus werden daar overledenen gemummificeerd, waarbij op de plaats van het gelaat een op hout geschilderd portretje werd gelegd, als een soort dodenmasker. Dit portret liet de overledene symbolisch voortleven voor nabestaanden.

    Fayumportret

 

Eerste eeuwen

Geschiedenis iconen
Antieke icoon van de heilige Menas en Christus (vriendschapsicoon Taize) uit de zesde eeuw.

In het Romeinse rijk kwamen de eerste Christenen in aanraking met een bestaande beeldcultuur. Beelden en afbeeldingen waren overal aanwezig. In de eerste eeuwen wezen de Christenen beeldende voorstellingen af. Ze werden als afgoderij beschouwd omdat ze Goden afbeeldden in menselijke of dierlijke gedaanten. De vroegchristelijke kunst werd aan de andere kant ook beïnvloed door deze beeldcultuur. Dit blijkt uit de vele fresco’s in de catacomben van Rome en muurschilderingen in grafkamers en op sarcofagen die christelijke thema’s uitbeeldden. Op den duur was het verlangen naar afbeeldingen van martelaars en heiligen niet meer te onderdrukken. De mensen begrepen de beeldspraak van de iconen beter dan het gesproken woord, dat kun je niet kussen of bewieroken.

In de zesde eeuw na Christus ontwikkelden zich onder keizer Justitianus in Constantinopel de eerste iconen zoals we die nu kennen. De oudst bekende iconen op houten panelen van heilige personen zijn afkomstig uit het Sint-Catharinaklooster in Sinaï (Egypte). Ze dateren uit de zesde eeuw. Aangenomen wordt dat de mummieportretten die in de Egyptische Fayum-oase zijn gevonden, als voorbeeld dienden.

De verspreiding van iconen gebeurde vooral door pelgrims die naar heilige plaatsen gingen en iconen, die in kloosters werden vervaardigd, mee terug naar huis brachten. Het moeten vooral afbeeldingen van Christus, moeder Gods en heiligen zijn geweest.

Iconoclasme

In 730 verbood keizer Leo III het gebruik van afbeeldingen ter aanbidding. Dit was het begin van de periode van het iconoclasme (letterlijk: het breken der beelden van 726-843. De strijd ging om de vraag of het maken en vereren van afbeeldingen van Christus wel geoorloofd was. De Byzantijnse keizer probeerde hiermee ook de macht van de monniken te breken. Veel iconen werden vernietigd door gelovigen die vonden dat volgens de bijbel geen afbeeldingen gemaakt en aanbeden mochten worden (de iconoclasten). Hiertegenover stonden de iconodulen, de beeldenvereerders.

De iconoclasten werden in de latere geschiedschrijving bestempeld als goddelozen, waarmee geen recht wordt gedaan aan de integere houding van een aantal iconoclastische bisschoppen ten aanzien van het probleem van de afgoderij. De iconodulen gingen soms wel erg ver in het toeschrijven van wonderen aan iconen.

De beeldenstrijd droeg sterk bij aan de verspreiding van de Byzantijnse kunst in het westen omdat talloze monniken en kunstenaars zich niet wilden onderwerpen aan de iconoclasten en daarom uitweken naar het westen, vooral Italië.

Na bijna 150 jaar winnen de voorstanders van het maken van afbeeldingen, maar er wordt afgesproken dat alleen wordt afgebeeld wat door mensenogen gezien of beschreven is. Door de beeldenstrijd zijn er relatief weinig iconen van voor 843 na Christus bewaard gebleven.

De iconen uit de Byzantijnse periode komen uit verschillende ateliers en zijn afkomstig van meerdere volkeren en gemaakt in verschillende technieken.

 

Periode na 843

Na 843 verspreidt het Christendom zich verder over Europa en West-Azië.

Naast Constantinopel (het huidige Istanbul) oefenden Alexandrië en Antiochië een beslissende invloed uit. Van de negende tot de twaalfde eeuw zien we iconen van hoog niveau. Pelgrims zorgen voor de verspreiding van de afbeeldingen en doordat Byzantium steeds kleiner wordt door aanvallen van buitenaf, zorgen ook vluchtelingen en kunstenaars dat de icoonthema’s bekend worden in andere landen.

Door verschillen in taal (Grieks vs. Latijn), en cultuur, politieke situatie en gebrek aan communicatie ontstaat na een eeuwenlange sluimerende verwijdering in 1054 een scheuring binnen de kerk tussen het oost- en west Romeinse rijk. Afwijkende opvattingen over theologie, liturgie en kerkelijke leer leiden tot vervreemding.

In het begin van de dertiende zien we dat veel kunstenaars vanuit Byzantium uitwijken naar Macedonië. Reden is dat veel kruisvaarders op weg naar het Heilige Land veel vernielden of meenamen uit Constantinopel. Op 13 april 1204 wordt Constantinopel door kruistochtvaarders volledig geplunderd.

Ochrid en Thessaloniki werden de nieuwe grote centra. Ochrid bleef dit tot de verovering door de Turken in 1396, Thessaloniki tot 1423 en Constantinopel tot 1453 om dezelfde reden.

 

Rusland

In 988 wordt Rusland gekerstend en ontwikkelt zich daarna snel.

Als Constantinopel in 1453 in handen valt van de Turken verliest de Griekse iconenkunst haar centrum. Rusland neemt de leidende rol in de iconografie over. Met monniken en bisschoppen kwamen ook schilders en mozaïekmakers vanuit Byzantium naar Kiev (destijds Russisch). Russische schilders worden opgeleid door Byzantijnse iconenschilders. Zo ontstaan er in Rusland belangrijke scholen die langzaamaan een eigen stijl ontwikkelen.

De bloeiperiode van de Russische iconen valt in de vijftiende en zestiende eeuw.

De scholen van Novgorod en Moskou kunnen als basis dienen voor de karakterisering van de Russische iconen. Zij vertonen aan het einde van de vijftiende eeuw een enorme perfectie, gaafheid van afwerking en spiritualiteit.

Iconen van Dionysios, Theophaan de Griek en Andrej Roeblev worden zeer vereerd.

 

Tekenen van verval

In de zeventiende en achttiende eeuw vertoont de icoonschilderkunst tekenen van verval. Iconen krijgen kunstwaarde en het gebruik van goud wordt een statussymbool. De oorspronkelijke eenvoud van icoontaferelen vervagen door het ontstaan van nieuwe thema’s met ingewikkelde structuren. Uitleg wordt steeds meer noodzakelijk en het begrip van hoe vroeger werd gewerkt verdwijnt. Omdat iconen door de olielaag waarmee ze werden afgewerkt sterk nadonkeren, is het gebruikelijk dat na één of twee eeuwen een icoon wordt overgeschilderd. Oudere schildertechnieken dreigden daardoor te vervagen en uiteindelijk onzichtbaar te worden.

In de negentiende eeuw is de behoefte aan iconen zo groot geworden dat er ateliers kwamen waar in series iconen gemaakt werden in een schematisch en zielloos verstard mechanisch proces. De grote behoefte aan iconen wordt mede bepaald door het feit dat smeekbeden tot Christus, Maria en heiligen vaak het enige waren wat mensen in hun vaak barre omstandigheden konden doen.

De kwaliteit van de iconen was erbarmelijk: alle mogelijke kleuren en vormen en een chaos van iconografische onderwerpen worden zonder vakmanschap geschilderd, de moderne Russische iconen zakten af tot een soort plaatjesmakerij.

Slechts een kleine groep van Oudgelovigen volgt de oude icoonschilderregels nog na. Zij kunnen zich niet verenigen met de westerse vernieuwingen, de meer realistische stijl. Deze groep scheidt zich rond 1750 af. Dat heeft geleid tot het ontstaan van nieuwe scholen waar de traditionele schilderkunst in ere wordt gehouden. Oude iconen worden daar verzameld en weer gerestaureerd.

 

Deze tijd

In Rusland betekende de revolutie van 1917 het einde van de iconenkunst. De staat sloot de kerken en de schilders mochten alleen nog profane (niet kerkelijke) werken maken. Veel iconen werden naar het buitenland gesmokkeld en daar verhandeld.

Tegenwoordig is er een verbod op de uitvoer van oude iconen en rijke Russen spannen zich in om het cultureel erfgoed te verzamelen en weer terug te brengen naar de oorsprong.

De herwaardering van de iconenkunst is mede gewekt door uit Rusland afkomstige schilders zoals Kandinsky, Chagall, Jawlensky, die zoals de fransman Rouault door de iconenkunst werden geïnspireerd. Deze moderne schilders voelden zich verwant met de kunstenaars in het oude Byzantium die zich keerden tegen de klassiek Griekse stijl.

De historische protestante afkeer voor afbeeldingen van ‘het heilige’ is afgezwakt. Iconen winnen onder protestanten aan populariteit. Bekende Nederlandse icoonschilders als Jan Verdonk en Paul Brenninkmeijer krijgen veel opdrachten van protestanten en protestantse kerken.

Ook het aantal aanmeldingen voor icoonschildercursussen stijgt gestaag. Er is animo bij allerlei mensen: protestanten, katholieken, maar ook niet-gelovigen. De aantrekkingskracht van iconen lijkt de dogma’s van het geloof te overstijgen.