Icoon schilderen

Iconen zijn sterk gebonden aan oosters-orthodoxe traditie, waardoor icoonschilders slechts in beperkte mate vrij zijn in de wijze waarop zij een afbeelding maken. Ze dienen zich te houden aan vaste regels en prototypen. Oude iconen worden bij voorkeur als uitgangspunt gebruikt. Toch blijft er ondanks de grote eenheid in stijl en karakter voldoende ruimte voor de kunstenaar om een eigen schepping tot stand te brengen.

In het begin waren het vooral monniken die de iconen schilderden. De icoonschilder beschouwde zichzelf als een instrument van het hogere, een medium tussen hemel en aarde. Hij was zelf niet belangrijk. Daarom zijn iconen zelden gesigneerd en zijn er relatief weinig namen van icoonschilders bekend.

Pas in de zestiende eeuw, toen de vraag naar iconen groot werd en ook veel lekenschilders zich toelegden op het vervaardigen van iconen, werden de artistieke talenten van een schilder belangrijker. Vanaf toen werden iconen, net zoals in de westerse kunst, soms gesigneerd en gedateerd.

DIcoon schilderenit was te tijd waarin er in het westen van Europa meer aandacht kwam voor deze schilderkunst. Die westerse invloed had ook een keerzijde. Religieuze kunst had er voornamelijk een educatief en decoratief karakter, maar geen onontbeerlijke functie. Zij kon zich vrij ontwikkelen. De westerse kunstenaars concentreerden zich vooral op de schoonheid van de zichtbare werkelijkheid. Iconenschilders daarentegen schilderden de onzichtbare werkelijkheid. Met de toenemende globale invloed van de westerse kunst raakten de schilders steeds meer verwijderd van de traditionele icoonschilderkunst. Perspectief, ruimtesuggestie en decoratieve elementen kwamen steeds vaker voor op iconen, waardoor de essentie van de icoonkunst verwaterde en de grens tussen een icoon en een religieus schilderij steeds vager werd.

icoon schilderenDe iconen worden niet realistisch geschilderd. Het tafereel wordt eenvoudig gehouden zodat de toeschouwer niet wordt afgeleid door bijkomstigheden. De aandacht wordt geconcentreerd op het mysterie. Omdat de icoonschilder meer het mysterie dan het historisch gebeuren wil benaderen, tekent hij de gebouwen vreemd. Vaak wordt het omgekeerde perspectief gebruikt, zodat bijvoorbeeld een voetenbank van achteren breder is dan van voren. Hierdoor komt het voorgestelde als het ware naar de toeschouwer toe. De iconen komen tot ons en niet omgekeerd. Dit heeft tot doel om datgene te tonen dat aan ons oog is onttrokken, namelijk het bovennatuurlijke. De iconen hebben ook nooit natuurlijk licht (geen schaduwen). Christus is het licht van de icoon.

Materialen

De toegepaste materialen zijn zeer betekenisvol: de vertegenwoordigers van het plantaardig leven (hout), het mineralenrijk (krijt, verfstoffen) en de dierenwereld (ei) nemen deel aan de totstandkoming van de iconen.

Dragers

hout drager
Hout drager

De eerste stap is het maken van het paneel (drager), vaak van hout. Niet alle iconen hebben een houten plank als drager. Er zijn ook fresco’s, metalen iconen (reisiconen), vaak met email versierd, iconen op textiel, ivoor, speksteen en marmer. Ik beperk me hier tot de houten panelen als drager.

Icoonschilders gebruiken in het algemeen hout dat in hun omgeving groeit, maar kiezen wel houtsoorten die weinig harshoudend zijn, zoals linde-, berken-,elzen-, en cipressenhout. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat het hout krom trekt worden aan de achterkant vaak twee dwarsbalken aangebracht. Vervolgens wordt dun linnen, met krijt en lijm vermengd en op het paneel aangebracht. Hier komen nog zes tot zeven lagen krijt en lijm overheen. Als de lagen goed hard geworden zijn wordt de bovenste laag gepolijst met krijt. Deze krijtlaag vormt een goede ondergrond om op te schilderen.

Fresco
Fresco

Tegenwoordig zijn ook kant en klare geprepareerde planken te koop.

Temperatechniek

Ik beperk me hier tot de temperatechniek. Bij de oudste iconen werd de encaustiek als techniek toegepast. Hierbij werden pigmenten (ook wel kleuren verf) en hete was met elkaar gemengd. Er moest snel gewerkt worden omdat de was snel ging stollen. Omdat deze techniek nogal bewerkelijk was werd ze vervangen door de eitemperatechniek, toen deze zijn intrede deed in de zevende eeuw.

Het Latijnse woord ‘temperare’ betekent ‘mengen’, ‘op temperatuur houden’. De term had in de oudheid een beroep overstijgende betekenis. Artsen en schilders bezaten gemeenschappelijke kennis van genezende en pijnstillende middelen, die tevens als verfstoffen werden gebruikt. Van de monnik-schilder Alimpi wordt verteld dat hij met de verven waarmee hij zijn iconen schilderde ook zieken genas.

pigmenten
Foto: Simon Koopman (http://www.simonkoopman.nl).

De pigmenten worden aangemaakt met zuiver eigeel, gemengd met een weinig water en azijn. Dit eigeel fungeert als bindmiddel. Het is essentieel dat er niets van het wit van het ei bij komt, want dan gaat de verf schiften.

De belangrijkste pigmenten die gebruikt worden zijn oker, wit, blauw, rood, groen, geel, purper en zwart. De kleuren die gebruikt worden hebben bepaalde symbolen:

  • Blauw staat voor zuiverheid, vroomheid, hoop, hemel. Het blauwe bovenkleed van Christus is symbool voor zijn menselijke natuur.
  • Purper werd gewonnen uit de purperslak en was heel duur. Het was de kleur van de elite, en stond voor keizerlijk en goddelijk. Het purperen onderkleed van Christus geeft zijn goddelijke natuur aan. De combinatie met het blauwe bovenkleed betekent dat Christus God is die mens is geworden.
  • Rood staat voor leven en liefde, maar ook voor het bloed van de martelaren. Die dragen daarom vaak een rood kleed.
  • Oker weerkaatst de goddelijke zonneglans en wordt onder meer toegepast om de zichtbare huidpartijen van het menselijk lichaam weer te geven.
  • Wit is ook een veelgebruikte kleurstof, die gemengd met andere pigmenten voor het aanbrengen van lichten in gezichten en voorwerpen wordt gebruikt. Net als oker weerkaatst het ook de Goddelijke zonneglans.
  • Groen staat symbool voor de schepping, vruchtbaarheid, jeugd en groei.
  • Geel wordt weinig toegepast voor heilige personen aangezien geel in de middeleeuwen symbool was voor ontering.
  • Zwart is de kleur van de dood, het versterven.

 

Goud

Goud is de kleur der kleuren. In de Byzantijnse iconografie was goud zeer geliefd. Het werd overvloedig gebruikt ter bekleding van de achtergrond of om volume aan te brengen op kleding door ragfijne lijntjes.

Goud is vanwege de lichtende kracht, de reinheid en de onveranderlijkheid van oudsher en in alle culturen een in hoog aanzien staand metaal. Goud is eigenlijk geen kleur, maar ‘schittering’. Goud is een imperium dat andere kleuren in zich opneemt en alleen naast zich duldt wanneer ze zich aan hem onderwerpen en zich naar hem richten. Meer nog dan purper is goud de kleur van de elite en de uitverkorenen.

Goud heeft bovendien de eigenschap te verblinden. Het wordt onmogelijk voor het oog om de ruimte te doordringen.

Het schilderproces

Voortekening

De schilder schetst het ontwerp op de plank of maakt gebruik van voorbeelden van oude iconen (uit schilderboeken). Als er gebruik wordt gemaakt van een voorbeeldtekening wordt die met behulp van carbonpapier overgetrokken.

De oudste schilderboeken zijn in de zestiende eeuw ontstaan op Byzantijns en Russisch grondgebied. Individuele meesters en werkplaatsen vervaardigden tot in de negentiende eeuw steeds meer voorbeelden die de iconenschilders aanwijzingen gaven voor de traditionele manier van uitbeelden.

 

Vergulden

Begonnen wordt met het vergulden (goud maken) van de achtergrond of het aureool. Er wordt gebruik gemaakt van bladgoud dat met behulp van mixtion, een lijmsoort, op de plank wordt aangebracht.

 

 

Schilderen

Nu kan het schilderen beginnen.

De gebruikte verf heet eitempera. De temperatechniek is afgeleid van het Latijnse woord ‘temperare’ dat ‘goed mengen’ betekent.

De kunst van het mengen is dus heel belangrijk bij deze techniek. De pigmenten worden gemengd met een mengsel van eigeel, azijn en water. De verf wordt snel en dun opgebracht met zachte, soepele penselen, bijvoorbeeld van marter- of eekhoornhaar.

Er wordt van donker (aards) naar licht (hemels) geschilderd. De symboliek is dat het aardse wordt overschaduwd door het hemelse.

Eerst worden de donkere basiskleuren opgebracht van de achtergrond, daarna de kleding en als laatste het inkarnaat (basis huidskleur). Het inkarnaat wordt gemengd uit verschillende pigmenten: oker, zwart en wit.

 

Dan worden de lichteffecten aangebracht op de gewaden, de gebouwen en inkarnaat om volume te creëren. De lichtste plaatsen worden tenslotte aangezet met bijna-wit.

 
 
 

Het origineel

De inscripties worden geschreven in het Latijn of andere liturgische taal. Dat verleent de icoon de geestelijke aanwezigheid van de persoon of personen. Als laatste wordt de icoon geconserveerd om de verf te fixeren en de kleuren te beschermen.

 

Wijding

Wijding van een icoonZonder de kerkelijke inzegening is de icoon slechts een geschilderd stuk hout. Pas door de wijding wordt het een heilig van andere afbeeldingen ‘afgegrensd’ beeld en behoort tot de heilige voorwerpen.